Ik sil it mar gewoan sizze sa’t it is, want dêr bin ik ek net fan om der omhinne te draaien. Je sit hier in Kuikhorne, je hebt je zaakjes op orde, alles loopt zoals het al jaren loopt, en dan in één keer… ja hoor, daar zijn ze. Asielzoekers. Gewoon hier. Net even aankondigen of zo, nee hoor, hup, der del.
Ik stond dus van de week bij de supermarkt, gewoon even een pak melk en wat brood, niks geks, en ik hoor het al van een afstandje. Andere taal, andere klanken, en ik denk: dit klopt niet. Dit is Kuikhorne niet meer zoals ik het ken. “Wat is dit no wer,” zeg ik nog tegen mezelf.
Kijk, laat ik één ding duidelijk maken: ik heb niks tegen mensen. Echt niet. “Ik bin gjin min minske,” zeg ik altijd. Maar het moet wel een beetje normaal blijven. Je kunt toch niet zomaar overal mensen neerzetten en dan verwachten dat wij hier gewoon doorgaan alsof er niks aan de hand is?
Ze liepen daar dus, groepje bij elkaar, beetje rondkijken, beetje praten. En ik dacht alleen maar: ja, en wat nu dan? Gaan ze hier ook boodschappen doen? Gaan ze straks ook bij de snackbar staan? Moet ik straks in de rij wachten achter iemand die niet eens weet wat een frikandel is?
En dan zeggen ze: “Ja Beant, je moet een beetje begrip hebben.” Begrip? Ik heb al jaren begrip. Voor van alles. Voor het weer, voor de belastingen, voor die ene buurman die altijd op zondag aan het klussen is. Maar dit is weer zo’n ding, dat komt er dan gewoon bij.
“Se moatte har wol oanpasse,” dat is gewoon hoe ik erin sta. Je komt hier, prima, maar dan doe je wel een beetje zoals wij dat hier doen. Gewoon normaal. Niet te moeilijk. Niet te druk. Gewoon even rustig aan.
En dan hoor je ook nog dat ze begeleiding krijgen. Begeleiding! Ik heb nooit begeleiding gehad. Ik moest alles zelf uitzoeken. Eerste baan? Zelf geregeld. Huis? Zelf gedaan. Niemand die zei: “Beant, gaat het wel?” Nee hoor. Maar nu is er ineens overal hulp voor.
Ik liep dus naar buiten met mijn boodschappen, en ik zie er één staan bij het fietsenrek. Beetje te kijken hoe dat allemaal werkt. En hij kijkt mij aan, en ik kijk terug. En ik denk: ja… wat moet ik hier nou weer mee.
Dus ik zeg maar gewoon: “Moai waar hjoed, net?”
En hij knikt. Gewoon. En zegt iets terug wat ik niet helemaal versta, maar het klonk niet verkeerd.
En toen dacht ik, heel even hoor, heel even maar: misschien valt het allemaal wel mee.
Maar goed, ik blijf het wel in de gaten houden. Je weet het nooit. In Kuikhorne moet je scherp blijven. Dat is altijd al zo geweest. “Earst sjen, dan leauwe,” zeg ik altijd.
En dat is precies wat ik nu ook doe.























