DOKKUM – In Dokkum is men deze week tot een helder inzicht gekomen: als iets niet perfect is, dan haal je het gewoon weg. Sinds het nieuws van een koninklijk bezoek rondzingt, is de stad veranderd in een soort grote schoonmaakwedstrijd waar niemand precies weet waar de grens ligt. En eerlijk is eerlijk, die grens lijkt er ook niet echt meer te zijn.
Wat begon met het rechtleggen van stoeptegels en het verwijderen van een verdwaald sprietje onkruid, is inmiddels geëscaleerd naar een aanpak waarbij de oorzaak van het probleem simpelweg wordt geëlimineerd. Ramen die vies kunnen worden? Dan haal je ze eruit. “Dan binne se altyd skjin,” aldus een bewoner die inmiddels zonder glas in de gevel zit, maar wel met een gerust hart naar buiten kijkt. Binnenkijken is ineens een stuk makkelijker geworden, maar dat neemt men voor lief. “As de kening mar neat te klagen hat.”
Hetzelfde principe wordt toegepast op de stoepen. Want ja, onkruid groeit tussen tegels, dus wat doe je dan? Juist. Tegels eruit. In meerdere straten zijn de keurige stoepjes vervangen door egaal zand. Geen scheve stenen meer, geen groene sprietjes, gewoon… niks. “Gjin stiennen, gjin ûnkrûd,” zegt een man terwijl hij tevreden naar zijn nieuwe ‘onderhoudsvrije’ voortuin kijkt. “It is miskien wat drûch, mar wol strak.”
De gemeente lijkt het tempo amper bij te kunnen houden. Overal wordt nog steeds geveegd en geboend, maar ondertussen verdwijnen er ook steeds meer dingen uit het straatbeeld. Een bankje hier, een plantenbak daar. Alles wat ook maar een beetje twijfel oproept, wordt preventief verwijderd. “It kin mar better fuort wêze,” klinkt het nuchter.
Ondernemers doen ondertussen hun uiterste best om in het tempo mee te gaan. Etalages worden zo strak mogelijk gemaakt, en wat niet perfect oogt, verdwijnt tijdelijk naar achteren. Of voorgoed. “Wy sette it nei de tiid wol wer del,” zegt een winkelier, al klinkt daar nog weinig overtuiging in door.
Ondanks alles blijft de Friese nuchterheid ergens onder de oppervlakte aanwezig. Want hoe ver men ook gaat, iedereen voelt aan dat dit een tijdelijk toneelstuk is. Een oudere man, zittend op een bankje dat er nog wél staat, keek rustig om zich heen en zei: “It is no allegear prachtich, dat moat ik sizze… mar as de kening wer fuort is, sil it hjir wer gewoan Dokkum wêze. En dat is ek wol wer sa noflik.”n die langs een raamloze woning loopt, “mar jou it even… dan sitte de ruten der wer yn en stiet de plant wer skeef. Sa hear it hjir ek wol wer in bytsje.”




































